Het is niet zo dat Spikkel actief probeert te ontsnappen maar als de vrijheid hem toegeworpen wordt, zegt hij geen nee. Op sommige plekken mag hijj wel los. Als we een rondje om het meertje doen bijvoorbeeld. Of ’s ochtends, als we de paarden voeren. Maar buiten het erf loopt hij meestal aan de lijn.
Eergisteren ging hij er echter weer vandoor, terwijl ik met Spikkel en Miepie een rondje liepen. Dat rondje begint op een multifunctioneel fietspad dat wij de Wiegelweg noemen omdat de oud-politicus Hans Wiegel tegenover het begin ervan woont. Als je de Wiegelweg inslaat een consequent links afslaat, kom je uiteindelijk weer terug waar je begon.

Op de Wiegelweg raakten de lijnen van de honden in elkaar en om mij verstrikt en terwijl ik me probeerde te bevrijden, viel de hondenriem van Spikkel op de grond. Spikkel merkte opeens dat de lijn hem niet tegenhield en hij versnelde. Eerst voorzichtig. Op dat moment had ik een krachtig: ‘Spikkel, Zit!’ moeten laten horen, maar de hele zaak was al kansloos want Spikkel ging er met een bloedgang vandoor. Hij zag in de verte ganzen in het land. Vogels werken op hem als een magneet. Of het nu ganzen, eenden, waterhoentjes, kippen of pauwen zijn, als het veren heeft en fladdert, is het onweerstaanbaar
Een galopperende Spikkel is werkelijk een genot voor het oog. Hij is soepel, gestroomlijnd, een grijze golvende wolf. Poetry in motion, kortom en net als alle goede kunst is het een extreem tijdrovend iets. Spikkel luistert pas weer als hij is uitgeraasd en daar is veel tijd voor nodig. Hij snelde naar een groep ganzen in het weiland de verte. Ze vlogen schreeuwend omhoog. Spikkel zwenkte naar een volgende groep, en nog een, en nog een. Hij had het hysterisch naar zijn zin.
Af en toe spatte er water achter hem op – de weilanden zijn erg nat. De zon scheen door de druppels. Spikkel was nu zo ver weg dat hij een miniatuurhondje leek in een dat uitgestrekte weiland onder een hoge hemel met een waterig zonnetje en honderden zwermende, schreeuwende ganzen. Hij denderde op volle snelheid door een brede plas en verdween in de sloot die daaronder lag. Het was een onaangename verrassing voor hem, want Spikkel houdt niet van water boven zijn knieën. Even later verscheen zijn kop weer boven water. Hij zwom terug naar het gras en schudde zich uit: een spetterende zilveren regenbui in het groen. Daarna begon hij weer te rennen.
Er stopte een geel bestelwagentje naast me. De boer die vanuit de boerderij onrust op zijn velden had gezien was over het fietspad naar ons toegereden om poolshoogte te nemen. Miepie kwispelde gedienstig.
– ‘Het spijt me,’ zei ik met een wijds gebaar naar Spikkel in de verte. ‘Hij is ontsnapt. De komende drie kwartier ga ik hem niet te pakken krijgen.’
We keken naar Spikkel, die maniakaal een groep ganzen opjoeg. Miepie ging er op haar gemak voor zitten.
– ‘Als hij maar niet schijt in het land,’ zei de boer.
– ‘Nee,’ dat is al geregeld,’ zei ik en zwaaide met het gevulde blauwe poepzakje in mijn linkerhand. De boer knikte. ‘Het zijn rotbeesten, ganzen,’ zei hij. ‘Weet je hoeveel schade ze aanrichten?’
Ik wist het. Ongeveer.
– ‘Van mij mag die hond hier elke dag wel komen,’ zei de boer, terwijl de hemel weer iets donkerder werd van een paar duizenden ganzen die gakkend naar ander weiland vertrokken, om daar uit ons zicht van de lunch te genieten.
– ‘Dat is een mooie gedachte,’ zei ik.
De boer keerde zijn Kangoo en reed terug naar zijn boerderij. Spikkel rende het inmiddels gansloze weiland uit, racete verder langs het fietspad, en verdween achter een heggetje. Miepie en ik wandelden haastig achter hem aan. Bij de visvijver kreeg ik Spikkel uiteindelijk te pakken dankzij een doodlopend dijkje en een smal bruggetje ernaartoe. Hij liet zich braaf aanlijnen, het was mooi geweest. Tevreden wandelden we met zijn drieën naar de auto.
– ‘Wat ben je laat,’ zei Inge. ‘Ging het wel goed?’
– ‘Lekker gewandeld,’ zei ik. ‘Wat langer dan gepland.’
Spikkel & Wiegel’s Way

Spikkel enjoys the freedom of being off-leash in specific areas: if we walk around De Potten Lake or the Elfenberg woods or during our morning routine of feeding the horses. But I typically keep him on a leash. Occasionally, he breaks loose. It’s not that Spikkel actively seeks to escape, but he cannot resist the allure of freedom when it presents itself.

It happened the day before yesterday when I was out with Spikkel and Miepie. We were on Wiegel’s Way, which used to be a nameless bicycle lane through the meadows. We named it after the right-wing, rather populist former politician Hans Wiegel because his modest house stands more or less at the beginning of it and names come in handy. Following a trail called Wiegel’s Way may feel like a bad idea, but if you keep to the left turnings, you’ll eventually end up where you started.

I was nearly done with my left turnings when I had to untangle myself from the twisted dog leashes. In the process, Spikkel’s leash fell to the ground.

Sensing newfound freedom, he cautiously accelerated. At that moment, I should have yelped, ‘Spikkel, Sit!’. But I didn’t, and Spikkel speeded away. He had spotted a flock of geese in a field in the distance. Birds work on him like a magnet. Be it geese, ducks, moorhens, chickens or peacocks, it’s irresistible if it has feathers and flutters.

A galloping Speckle is a visual delight; he is agile and streamlined, resembling a grey-wavy wolf. It’s poetry in motion and demands time and attention – especially time- like any art masterpiece. Spikkel only listens to me after his frenzy subsides. He sprinted towards a group of geese in the distant meadow, sending them into a panicky flight. Then he veered toward another group, and another, and another.

Occasionally, water splashed up behind him – the meadows were very wet, and the sun’s rays filtered through the drops. Spikkel appeared like a miniature dog in a vast meadow under a high sky with a watery sun and hundreds of screaming geese. He was having a hysterically good time.

Spikkel thundered through a wide puddle, disappearing into the ditch below – an unwelcome surprise for him as he dislikes water above his knees. Soon, his head reemerged, and there he was, swimming back to the grass, shaking himself dry – a silver rain splash in the green – and resuming his chase.

As Miepie and I observed Spikkel from a distance, a small yellow van pulled beside me. Having noticed the commotion in his fields, the farmer drove towards us on the narrow lane to assess the situation. Miepie wagged her tail obligingly,

– “I’m sorry,” I said, gesturing widely toward Spikkel. ‘He escaped. I’m not going to catch him for the next 45 minutes.”

The farmer and I watched Spikkel maniacally chase geese, with Miepie sitting comfortably beside me, sniffing a blade of grass.

– “As long as he doesn’t shit in the field,” said the farmer.

– “That’s taken care of,” I said, waving the filled blue poop bag in my left hand. The farmer nodded. “Bloody animals, geese,” he said. “Do you know how much damage they cause?”

– I think I knew. Sort of. Geese eat grass meant for cows. They leave insane amounts of geese shit.

– “You can bring that dog here every day,” the farmer said while the sky darkened slightly as a few thousand geese left, indignant, for a distant dog-free meadow.

– “It’s a thought,” I said.

The farmer turned his Kangoo and drove back to the farm. Spikkel ran out of the goose-free meadow and raced further along Wiegel’s Way, disappearing behind a hedge. Miepie and I hastened after him. I finally caught Spikkel at the fishing pond thanks to a dead-end dike and a narrow bridge leading to it. I picked up Spikkel’s leash; it was wet but not too dirty. Spikkel looked happy and tired, and together, the three of us walked back to the car.

– “You’re running late,” Inge remarked. “How did it go?”

– “We had a delightful walk,” I replied. “Just a tad longer than planned.”