Drie jaar geleden was ik blij en opgewonden toen I. mij voor het eerst de reeën achter ons huis wees. Het schemerde en ze liepen in de verte. Je kon ze alleen goed zien met een verrekijker.

In de loop der tijd zijn ze wat dichterbij gekomen – dichtbij genoeg om een poging te doen ze te fotograferen, en dat was een nieuw hoogtepunt. Ik gebruik daarbij de telelens, want reeën zijn wel goed maar niet gek en ik heb ook zo mijn beperkingen. Het was een geweldige dag dat ik ze scherp op de foto had en die foto’s maar een klein beetje onderbelicht waren. Ze viel er steeds nog wat te winnen.

Onvermijdelijk komt de lat steeds hoger te liggen. Vandaag had ik ze mooi in beeld bij een laagstaande winterzon: drie reegeiten en een reebokje met fluwelen geweistangen. Zijdezacht ogende vachtjes en konijnenoren, en als ze plassen lijken ze opeens op kangoeroes. Ze komen aangeslenterd uit het oosten en ze eten zich westwaarts; grazend, regelmatig om zich heen kijkend en af en toe over een sloot springend, de schatten.

Maar met foto’s maken is het net als met reality tv: het went allemaal zo snel. Als de lat steeds hoger ligt, wat moet de volgende foto dan worden? Vannacht droomde ik dat de reeën met kabouterschortjes om een klompendansje achter het huis uitvoerden.