Categorie: Familieverleden (Pagina 2 van 4)

De Nieuwe Tijd, Net Wat U Zegt

‘Het Mannetje’ noemt mijn vader hem, de SRV-man die al sinds mensenheugenis de dagelijkse boodschappen aan huis brengt. Populair is hij nooit geweest – het is het soort winkel waar je bij alles de uiterste verkoopdatum moet nakijken, want bedervelijkheid is voor Het Mannetje geen reden om een artikel uit de schappen te halen. Integendeel, Over Tijd moet juist snel van de hand.

Toen ik klein was, nam Het Mannetje, begonnen als melkknecht maar strategisch gehuwd met de oudste dochter van de melkboer, de zaak over. En omdat hij met zijn tijd meeging werden melkwinkel en SRV- wagen omgedoopt tot ‘Zuivelboetiek’.

Decennialang reed de mobiele Zuivelboetiek met bederfelijke waar door het dorp, waarbij hij ook het Tehuis aandeed om de bejaarden van koekjes en luxe toiletpapier te voorzien, bij voorkeur de duurste.

Toen mijn moeder en ik vanochtend van het Tehuis op weg gingen naar de tandarts, troffen wij de wagen bij de ingang. En wat blijkt? Het Mannetje is wederom met zijn tijd meegegaan. De Zuivelboetiek is dood. Leve de Zuivelservice.

Jagtlust

De komende drie dagen zitten we in Zorghotel Residentie Jagtlust in ‘s-Graveland, ik, mijn moeder en Tante Katja (TK). Zij delen samen een kamer delen. Ik heb een kleinere maar prachtige kamer voor mij alleen; af en toe hoor ik een auto langsrijden, maar verder wordt de stilte geaccentueerd door een gestaag druppende kraan in de badkamer. We hebben gedrieen diner op de kamer, onderwijl naar Derrick kijkend en af ten toe komt het bijzonder aardige personeel voortdurend binnenhollen om ons ijsjes, wijn en toiletpapier aan te reiken.

Het Doet Vandaag Pas Pijn

Donderdag, Dorpstraat ons Dorpdag. Vandaag is dat boodschappen in Apeldoorn: Leesbril brengen bij de opticien en een uur later weer ophalen, nu met de nieuwe glazen, drie nieuwe broeken scoren voor mijn vader bij De Oranjerie. Dan weer terug, even babbelen over het aanstaand uitje van mijn moeder naar Jagtlust en het is alweer vijf uur. Ik sta op om weer naar huis te gaan. Ik loop wat achter op schema.

‘Lopen doet een beetje pijn,’ zegt mijn vader. Hij begint moeizaam zijn rechterschoen uit te trekken. Dan zijn sok. Ik schrik van de onverwachte donkere plek.
‘Hoe lang heb je daar al last van?’
‘Het doet vandaag pas pijn.’
Bij nadere inspectie van de schoen blijkt een stukje van het tongstuk omgeklapt te zijn. Als de veters gestrikt zijn ontstaat er een hard, puntig stukje dat in de voet drukt.
‘Ik denk dat er een pleister op moet,’ zegt mijn vader. Mijn moeder heeft nog een stuk hansaplast en wil weten hoeveel pleister ze moet afknippen, nagelschaartje in de aanslag.
‘Heb je daar niet eerder last van gehad?’ vraag ik.
‘Het doet pas vandaag pijn.’
Dat is leven in het heden. Misschien deed het gisteren ook wel pijn, en eergisteren, maar is hij dat vergeten na een prettige schoenloze nacht.

‘We doen er nu een pleister op,’ zeg ik, ‘en dan trek je lekker je pantoffels aan. Ik haal de nogal versleten platte veters uit zijn schoenen, ‘dan kun je ze niet meer per ongeluk aantrekken. Waar staan je andere schoenen?’
Achter zijn stoel blijkt een paar te staan. De veters zijn er keurig uitgehaald. ‘Daar was een veter van kapot,’ zeg mijn vader, ‘maar 1 veter heb ik gered.’ Hij pakt een ronde veter naast zich op het tafeltje ligt en werpt hem mij toe.
Ik haal een ander ronde veter uit een boventallige schoen van mijn moeder en rijg ze in de veterloze schoenen. Daarna ontdek ik een ander stel zachte suede herenschoenen, met veters, onder de tafel waaraan hij eet.
‘Dit voelt er lekker,’ zegt mijn vader tevreden naar zijn pantoffels kijkend, ‘wat heb je toch weer zegenrijk werk verricht.’

’s Avonds bel ik de verzorging met het verzoek dit zegenrijk werk voort te zetten. De dienstdoende verzorgster belooft er een logboeknotitie van te maken. Ik hoop maar dat ze de voet in het snotje houden.

Lens & Lichaam

Het kijken is niet meer optimaal, dus wij vervoegen ons bij Villa Optica (v/h Wagenaar Optiek) aan de Korenstraat in Apeldoorn.

Vroeger zat Wagenaar in Beekbergen. Ik herinner mij de oude meneer Wagenaar nog wel, een zachtmoedig schriel mannetje dat aan het begin van de Dorpstraat een brillenwinkel annex klokkenzaak had.

Mijn moeder vertelt aan de bijzonder aardige jonge vrouw die haar ogen aan het testen is, dat die meneer Wagenaar z’n echtgenote – een vrouw van Rubensiaanse omvang, maar dan zonder sensuele uitstraling – altijd van woongedeelte van het pand de winkel instapte als haar man even iets moest halen in het magazijn, of in het kantoortje. Ze hielp niet in de zaak; ze hield de klant in de gaten. Voor het geval dat.

De aardige opticienne glimlacht vriendelijk. ‘Meneer Wagenaar heeft zich zo’n vijf jaar geleden uit de zaak teruggetrokken,’ zegt ze.

Mijn moeder heeft maar enkele seconden hoofdrekenen nodig. ‘Dat moet zijn zoon geweest zijn,’ zegt ze. ‘Wagenaar junior,’ vul ik behulpzaam aan. En voel mij even heel erg oud.

 

Kokkestok

Een paar weken geleden zag ik ‘m aan de arm van Ama Kaag, fotografe en kunstenaar op leeftijd, bij de opening van haar tentoonstelling in de OBA: de Kokkestok. Ik had nog nooit van een Kokkestok gehoord, laat staan er eentje gezien. De eerste wandelstok voor de senior citizen die van stijl houdt. Die zowel modern als archetypisch oogt; ik moest meteen aan de staf van Sinterklaas of een herdersstaf denken. Maar dan in een soort modern-Skandinavische stijl.
Ama vertelde dat het een heerlijke stok was: mooi, lekker in de hand liggend, perfect in balans en – heel belangrijk – door de rubberen rand aan de zijkant valt hij niet snel om als je ‘m tegen een muur of balie of tafel zet. De naam van de ontwerper schoot haar zo direct niet te binnen. Maar ze wist wel dat hij uit Arnhem kwam en er een prijs mee had gewonnen.
Het blijft verbazend wat je met google allemaal kunt vinden. Op de trefwoorden ‘stok’, ‘Arnhem’, ‘design’ kwam binnen een paar nanoseconden de naam van Ruud-Jan Kokke in beeld. En via de webwinkel was het ding binnen een paar minuten gekocht. Vaarwel nuttige truttige donkerbruine gebutste bejaardenstok!
In 1994 ontwierp Ruud-Jan Kokke deze wandelstok van beukenhout en rubber. Hij heeft er de Red Dot Design Award voor gekregen. De stok bevindt zich in de collectie van het Museum of Modern Art in New York. En sinds vanavond ook in de collectie van Tante Katja in de Plesmanlaan in Amsterdam.

Strakintpak

Mijn vader koestert een enorme weerzin tegen kleren kopen en heeft de tactiek geperfectioneerd die is gebaseerd op de ijzeren tegeltjeswijsheid dat van uitstel, afstel komt. Zo is volgende week altijd perfect om een nieuwe broek te kopen – deze week is dat nooit.

Maar er staat een feestelijk familie-etentje op stapel in een sterrenrestaurant en daar kun je dan dan weer niet echt heen in je alledaagse, versleten kloffie. De kledingsituatie is opeens urgent;en omdat zijn verzoek om uitstel geen indruk meer maakt, ziet mijn vader zich genoodzaakt om terug vallen op de botte weigering, zich daarbij beroepend op stijfheid na een recente valpartij.
Daar heeft hij dit keer ook wel weer gelijk in.
Ik rij met rafelige uitgewoonde bruine pak naar Piet Zoomers in de Korenstraat. Mijn eigen persoonlijke aflevering van Are You Being Served?

Ik: ‘Heeft u een pak dat degene past die dit graag draagt?’
Verkoper: ‘Dat is wel een beetje lastig. Het is misschien beter als meneer zelf meekomt?’
Ik: Dat zou zeker beter zijn maar dat is helaas geen optie.’
Verkoper: ‘Drie knopen voor, dat zie je niet veel meer, meneer heeft het zeker al een tijdje?’
Ik: ‘Vanaf mijn kinderjaren, meneer. Een nieuwer model is geen bezwaar.’

Achterin de zaak meet de verkoper zorgvuldig de borstbreedte en de mouwlengte en de binnenzijde broek, en pakt dan pakken uit het schap. Steeds grotere maten. Tot er een ongetailleerde maat 29 is die voldoet. Grijsblauw met een streepje. Voor aanstaande zondag.

Een Mensch Moet Leeren Sterven Om Te Leven

Groepsfoto bij de eerste steenlegging van gebouw Elim aan de Frederik Hendrikstraat in Amsterdam, ik denk rond 1900 gemaakt. In de detailfoto daaruit staat in het midden mijn overgrootvader Hendrik Willem Duijker (1845-1919) en naast hem zijn oudste dochter, Christina (1878-1939), de moeder van mijn moeder. Deze Hendrik Willem heeft in 1916 enige herinneringen opgeschreven, die later door zijn kleinzoon (ook een Hendrik Willem) zijn uitgetypt. Dat zijn vier bladzijden, te lang om hier weer te geven, maar zo interessant dat ik het verhaal hieronder – ingekort – weergeef.

De vader van Hendrik Willem, zo begint het verhaal, was timmerman, die veel van zijn kinderen hield, maar ‘een man van ‘weinig kracht des geestes’ was. ‘Als wij ondeugend waren dan strafte hij ons in drift zoo als een dronken man op straat schopt en trapt.’ Zijn moeder, Christina Klinkmeijer, was daarentegen ‘een ware Christine.’ Niet omdat zij haar kroost ‘op zedelessen onthaalde – daar zouden wij toch niet naar geluisterd hebben’, maar in haar gedrag en gebed. Dat zou later nog gevolgen hebben.

Hendrik Willem was vernoemd naar de vader van zijn vader – we hebben het nu, ik wordt een beetje duizelig, over mijn betbetovergrootvader. Deze man, die ook Hendrik Willem Duijker heette en het ooit tot timmermansbaas had geschopt, was in de loop der tijd ‘afgedaald tot doodkistenmaker’. In deze branche deed hij het echter niet slecht: ‘Ik geloof dat hij het monopolie daarvan had, en dat er niemand in de stad stierf of hij en zijn twee oudere zonen maakten het laatste huis.’

Hendrik Willem jr ging als als het even kon naar hem toe. ‘Ik kwam dus vroeg in vertrouwen met de dood, die niets geen indruk op mij maakte. Als kind van twee jaar lag ik reeds voor de winkel mijns grootvaders in het zonnetje in een doodkistje (waarvan altijd groote en kleine in groote voorraad gemaakt werden) voor mijn gezondheid. Het heeft mij blijk baar geen kwaad gedaan, ofschoon voorbijgangers er van schrikten.’

Opa’s vrouw, Catharina Crouson (‘eene weeze uit Maagdenburg’) was toen haar kleinzoon haar leerde kennen, ‘zeer doof en [haar] man driftig en ruw; zoo dat ik hem nooit een goed woord tot haar heb hooren spreken, wel schelden en verwenschingen.’ De kleine Hendrik Willem was echter zijn lieveling en ‘zes of zeven jaar oud zijnde, zijn bestendige metgezel op zijne wegen (…) overal nam hij mij mede.’ De familie moedigde dit aan: ‘Het was altijd, “gaat maar naar grootvader”. Later heb ik begrepen, dat dit niet om mij maar voor de rust van de huisgenooten was. Hij hield namelijk veel van een slokje en nam mij mede.’ De familie vertrouwde er op – en kennelijk terecht – dat opa veilig thuis zou komen omdat hij ook zijn kleinzoon veilig thuis zou moeten brengen.

Toen HW 12 was, vroeg de meester of hij door wilde leren voor onderwijzer. ‘Maar daar had ik geen ooren naar. Een oom (broer van vaderszijde) had mij (..) zulk een diepe verachting voor dien stand ingeboezemd dat ik het een vernedering vond het te worden.’ In plaats daarvan ging hij bij een schoenmaker in de leer. Dat was hard werken voor weinig geld, en Hendrik Willem was opgelucht toen hij werd opgeroepen voor militaire dienst: ‘hoe blijde was ik dat ik loten moest en een laag nummer trok. Ik kwam bij de keuring, maar was een streep te klein. Hoe ik mij ook uitrekte, de sergeant zeide: doe maar niet je best, het helpt toch niet.’ Hendrik Willem ging terug naar zijn leest en lapte schoenen. Al met al geen bevredigend bestaan. Maar daar zou verandering in komen.

‘Zo liep ik eens moedeloos en lusteloos op een maandagavond de bloemenmarkt langs, toen mij een voorval overkwam dat het begin werd van een gehele levensverandering. Toen ik achteloos stond te zien naar de plantjes, trad een oude dame naar mij toe; ik dacht om mij naar den weg te vragen. Zij vroeg mij vriendelijk en minzaam of zij mij een vraag mocht stellen. “O ja, mevrouw!”
“Jonge man hebt u den Heer Jezus lief?” Ik zag haar als versuft aan! En dacht, wat zal ik antwoorden. Ik had een beledigd gevoel dat zij mij voor een onwetende heiden aan zou zien. En dat was ik toch niet. (…) Ik moest mij dus verweren, maar de vraag eischte een fatsoenlijk antwoord. De vraag was immers minzaam en dringend gedaan. Ik antwoordde dan ook: “Mevrouw, ik ken Hem wel, ik heb een godsdienstige opleiding gehad.”

Hendrik Willem moet echter toegeven dat hij Jezus wel kent. Maar hem liefhebben? Nou nee. ‘Zij: “Mag ik U dan eens een raad geven? Belooft u mij alle morgens te bidden: Hemelse vader, schenk mij uw H. Geest, opdat ik in Jezus geloven mag. Amen.” Ik stond verbijsterd te kijken. Maar om de vriendelijkheid van de vraagstelster beloofde ik het te doen. Ik heb haar nooit meer gezien.’

Op de Bloemenmarkt aan het Singel begon het leven van mijn overgrootvader als herboren christen (een gebeurtenis, daar was hij van overtuigd, die mede mogelijk was gemaakt door het gebed van zijn lieve moeder in zijn jeugd) en die bekering stelde verder alles in de schaduw. Met wie hij trouwde (Metje Mettau) en dat zij een stuk of zeven kinderen van hem kreeg was kennelijk minder belangrijk, want hij noemt ze niet. Wél vertelt hij dat hij aan een zondagschool verbonden raakte ‘die voor mijn geestelijk leven tot een grote zegen geweest is.’

De schoenmaker die als 12-jarige het beroep van onderwijzer verachtelijk vond, bleef zijn hele leven lezen: ‘Mijn geheel leven moet ik zeggen dat ik veel gelezen en studieboeken heb gehad en gebruikt, alles zware kosten. Dichtwerken en zoo meer. Bij mijn werk lag er altijd een boek op mijn tafel.’ Later werd hij, naast schoenmaker, ook godsdienstonderwijzer. Nog later stopte hij met zijn – inmiddels kwijnende, wat wil je, zijn hart zat er niet in – schoenmakerij toen hem gevraagd werd om een betrekking aan te nemen in het Evangelisatiegebouw van zijn kerk.

In 1916 – hij is dan 71 jaar – concludeert hij: ‘Veel heb ik moeten leren. Veel heb ik moeten afleren. Veel heb ik gewonnen en weer verloren, tot ik eindelijk ten lange leste, alles leerde overgeven aan Hem die mijn donkere weg zo kennelijk licht gemaakt had en mij wonderbaar geleid. Wat hier verder gebeurde, dit weten mijn kinderen en kunnen dit vervolgen. Een mensch moet leeren sterven om te leven.’

Familie-album

Geschoonzusterlijk zitten tante K. en tante A. naast elkaar in Buitenveldert en legen enveloppen met feestgedichten, foto’s en albums op de eettafel. Ik zie mijn overgrootouders op het uiterste randje van de feestfoto ter gelegenheid van het leggen ener eerste steen in de Frederik Hendrikstraat.

Ik scan een kreukeldicht ter gelegenheid van het huwelijk van tante A. en oom Jo. En een foto van mijn oma met haar broer en zussen, behalve de jongsten die dan nog niet geboren zijn. Er zijn schriften met verslagen van dagtochtjes. Foto’s van kampeervakanties bij de boer.
Een deel van het materiaal gaat mee, een deel wordt ter plekke gescand en opgeslagen met de technische hulpmiddelen (scanner, laptop) die ik heb meegenomen. Opdat de jongsten van het gezin Van der Hoeven (86 en 89) er – op de valreep – nog van kunnen genieten

Zuster Peertje

Fruit is bij mijn ouders volop te vinden, omdat het nauwelijks wordt opgegeten. De aanvoer vanuit het tehuis is constant, maar vooral mijn vader is goed in wegleggen en vergeten. Het fruit hoopt zich dus op. Kiwi’s verpappen, appels vergaan, er liggen maar liefst vier peertjes naast de computer in verschillende stadial: eentje nog al dente, eentje perfect, eentje te rijp & melig en eentje vloeibaar onder de schil.

‘Waarom eet je geen peren?’ vraag ik, ‘de goeie is heerlijk.’
‘Ze zijn zo kleverig als je ze probeert te schillen,’ antwoordt mijn vader. Terwijl ik een mesje pak zegt hij peinzend: ‘Vroeger in het Zonnehuis werkte een vrouw, een verpleegster, die graag Hoofd Verpleging wilde worden. Ik moest daarover beslissen.

Op een keer zaten de ziekenverzorgsters aan het middageten. Een van die meisjes zag een schaal stoofpeertjes op tafel staan en riep enthousiast: “Peertjes! Zalig!”

Toen zei die vrouw streng: “Peertjes kunnen heerlijk zijn. Peertjes kunnen overheerlijk zijn. Maar peertjes kunnen nimmer zalig zijn.”

Vanaf die dag stond zij onder het verplegend personeel bekend als Zuster Peertje. Hoofd Verpleging is zij niet geworden.’

Hij begon met smaak zijn peertjes te eten.

Ik Ga Waterskien

Mijn moeder in de kamer met de nieuwste aanwinst. Of motormuis gaat rijden op een Harley. Maar dit is geen Harley maar een ‘Sara 3000’ (‘Sara 2000’ is zoooo pre-milennium) is in hip lila en 1 persoon kan ‘m bedienen. We beginnen echt een indrukwekkend wagenpark bij elkaar te sprokkelen.

Mijn moeder – die zich ooit schaamde voor haar stok en daar pas mee ophield toen ze zich schaamde voor haar rollator, waar ze pas mee ophield toen ze zich schaamde voor haar rolstoel, blijft er nu stoicijns onder. ‘Ik ga waterskieën,’ zegt ze, en zet zich schrap.Om de ruggen van het verplegend personeel te sparen is het verrijdbare apparaat in de douche gestald. Daar wordt het vandaan getoverd om  mijn moeder in een handomdraai uit haar dagelijkse stoel te tillen.

Het oogt een beetje als een fitness apparaat vind ik, maar mijn vader heeft het apparaat ‘de olifant’ gedoopt.
‘Er zit geen slurf aan,’ zeg ik. Dan is het nog eerder een edelhert. Maar het apparaat heet nu ‘de olifant’ en dat gaat zo blijven.

 

« Oudere berichten Nieuwere berichten »

© 2022 Hannah van Herk

Boven ↑